Naar de inhoud
OnlineGoedVoorbereid

Assessment · Uitleg en oefeningNegatieve getallen: optellen, aftrekken en oefenen

Negatieve getallen liggen onder nul. Je komt ze bijvoorbeeld tegen bij temperaturen, een tekort of een daling. Het minteken kan bij een getal horen, maar ook een aftrekking aangeven. Dat onderscheid is belangrijk. Hieronder leer je optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen met negatieve waarden. Een getallenlijn helpt om de richting te begrijpen.

Eigen oefenvoorbeeld met uitleg · Bijgewerkt op 17 september 2026
Een cursist rekent met een laptop en notitieboek. Uitleg bij negatieve getallen.

Negatieve getallen op de getallenlijn

Rechts van nul staan positieve getallen en links staan negatieve waarden. Hoe verder je naar links gaat, hoe kleiner het getal wordt. Daarom is −8 kleiner dan −3, hoewel acht als afstand groter is dan drie. De afstand van een getal tot nul heet de absolute waarde. Die afstand is nooit negatief. Lees bij vergelijkingen dus zowel het cijfer als het teken.

Optellen met een positieve of negatieve stap

Begin bij −4 en tel 7 op. Je beweegt zeven plaatsen naar rechts en eindigt bij 3. Reken je −4 + (−7), dan ga je juist zeven plaatsen naar links en kom je op −11. Een negatief getal optellen werkt daarom als het aftrekken van de bijbehorende positieve waarde. Haakjes maken zichtbaar dat het tweede minteken bij het getal hoort.

Een negatief getal aftrekken

Bereken 5 − (−3). Het aftrekken van een negatieve waarde komt overeen met het optellen van de positieve tegenhanger. Daarom krijg je 5 + 3 = 8. Je kunt dit controleren met de omgekeerde bewerking: 8 + (−3) = 5. Schrijf de dubbele tekens eerst om voordat je verder rekent. Zo voorkom je dat je beide mintekens als één gewone aftrekking leest.

Vermenigvuldigen: bepaal eerst het teken

Een positief en een negatief getal geven bij vermenigvuldigen een negatief product. Zo is 4 × (−3) = −12. Twee negatieve factoren geven juist een positief product: (−4) × (−3) = 12. Bepaal daarom eerst het teken en vermenigvuldig daarna de afstanden tot nul. Bij meerdere negatieve factoren telt het aantal mintekens: een even aantal geeft positief, een oneven aantal negatief.

Delen volgt dezelfde tekenregels

Bij delen geven gelijke tekens een positieve uitkomst en verschillende tekens een negatieve. Bijvoorbeeld −18 ÷ 3 = −6, terwijl −18 ÷ (−3) = 6. Controleer vervolgens met vermenigvuldigen. Zes maal min drie is min achttien, dus de tweede deling klopt. Delen door nul blijft onmogelijk, ongeacht het teken van het andere getal. Zet negatieve delers tussen haakjes wanneer dat de notatie verduidelijkt.

Gebruik de context als extra controle

Stijgt de temperatuur van −5 naar 2 graden? Dan bedraagt de stijging zeven graden. Alleen 5 − 2 rekenen geeft de verkeerde afstand. Negatieve getallen vragen daarom om aandacht voor het beginpunt én de richting. Noteer bij assessmentvragen eerst wat het teken betekent. Werk daarna volgens de gewone rekenvolgorde. Controleer tenslotte of jouw antwoord past bij woorden zoals stijging, daling, tekort of overschot.

Pas je kennis toe

Negatieve getallen: oefenvraag

Wat is −6 − (−4) + 3?

Kies je antwoord
Controleer je antwoord

Antwoord C: 1

Trek je min vier af, dan tel je vier op. De som wordt −6 + 4 + 3. Werk vervolgens van links naar rechts: −6 + 4 = −2 en −2 + 3 = 1. Op de getallenlijn beweeg je eerst vier en daarna drie plaatsen naar rechts.

Veelgestelde vragen: negatieve getallen

Is min acht groter dan min drie?

Nee. Min acht ligt verder links op de getallenlijn en is daarom kleiner. De afstand tot nul is wel groter: acht tegenover drie.

Betekenen twee mintekens altijd plus?

Alleen in de juiste bewerking. Een negatief getal aftrekken verandert in optellen; twee negatieve factoren geven een positief product. Twee negatieve getallen optellen geeft juist een negatieve som.

Maak de volgende rekenstap

Wil je de basis verder oefenen? Ga dan naar hoofdrekenen oefenen of bekijk alle onderwerpen bij rekenen met uitleg. Begin daarna met 10 gratis assessmentvragen. Je hebt daarvoor geen account nodig.

Dit is een eigen rekenvoorbeeld. Lees bij NOA over het oefenen van capaciteitentests voor algemene testcontext.