Naar de inhoud
OnlineGoedVoorbereid

Assessment · Uitleg en oefeningGemiddelde berekenen: formule, voorbeelden en quiz

Een gemiddelde berekenen doe je door alle waarden op te tellen en de som door het aantal waarden te delen. Daarmee vat je een reeks getallen samen. Dat helpt bij bijvoorbeeld werktijden, verkoopaantallen en scores. Toch vertelt een gemiddelde niet alles. Hieronder leer je zowel de berekening als de controles die een verkeerde conclusie voorkomen.

Eigen oefenvoorbeeld met uitleg · Bijgewerkt op 17 september 2026
Een cursist rekent met een laptop en notitieboek. Uitleg bij gemiddelde berekenen.

Gemiddelde berekenen in twee stappen

Noteer eerst welke waarden bij de vraag horen. Tel die waarden vervolgens op en bepaal hoeveel waarnemingen je hebt. Deel de som daarna door dat aantal. De formule is: gemiddelde = som van de waarden ÷ aantal waarden. Geef het antwoord dezelfde eenheid als de oorspronkelijke gegevens. Een gemiddelde van minuten blijft bijvoorbeeld minuten, terwijl een gemiddelde van bedragen in euro wordt uitgedrukt.

Voorbeeld: verkoopaantallen per werkdag

Een winkel verkoopt in vijf dagen 18, 24, 21, 17 en 20 artikelen. De som is 100 artikelen. Deel vervolgens 100 door 5: gemiddeld verkoopt de winkel 20 artikelen per dag. Geen van de dagen hoeft precies dat gemiddelde te hebben. Controleer daarnaast het bereik. Het gemiddelde moet tussen het kleinste en grootste aantal liggen, dus hier tussen 17 en 24.

Een onbekende waarde terugvinden

Vier toetsen hebben samen een gemiddelde van 7. De totale score moet daarom 4 × 7 = 28 zijn. Je kent al drie scores: 6, 8 en 7. Die tellen op tot 21. De ontbrekende score is vervolgens 28 − 21 = 7. Begin bij zulke vragen met de benodigde som. Daarmee voorkom je dat je het gemiddelde rechtstreeks van de bekende scores aftrekt.

Nul telt mee; ontbrekend is iets anders

Een weekoverzicht bevat 10, 0 en 20 aanvragen op drie geregistreerde dagen. Het gemiddelde is dan 30 ÷ 3 = 10 aanvragen. De nul is namelijk een echte waarneming. Ontbreekt de registratie van de tweede dag? Dan mag je niet vanzelf een nul invullen. Je weet alleen het gemiddelde van de twee bekende dagen: 30 ÷ 2 = 15. Lees daarom de toelichting bij de tabel.

Let op uitschieters en groepsgrootte

Bij de waarden 5, 6, 7 en 42 is het gemiddelde 15. Toch liggen drie van de vier waarden veel lager. Een uitschieter kan het gemiddelde dus sterk veranderen. Daarnaast kun je groepsgemiddelden alleen zomaar middelen wanneer de groepen even groot zijn. Een klein team en een groot team leveren verschillende aantallen waarnemingen. Gebruik anders de groepsgrootte als gewicht bij een gewogen gemiddelde.

Houd je berekening controleerbaar

In een assessment kan een tabel meer kolommen bevatten dan je nodig hebt. Lees daarom eerst of de vraag een gemiddelde per dag, medewerker of bestelling vraagt. Noteer vervolgens zowel de som als het aantal. Een gemiddelde berekenen gaat zo met een controleerbare deler. Rond pas aan het einde af. Controleer tenslotte of je antwoord qua grootte en eenheid past bij de oorspronkelijke waarden.

Pas je kennis toe

Gemiddelde berekenen: oefenvraag

Een team behandelt op vier dagen 12, 18, 15 en 23 dossiers. Hoeveel dossiers zijn dat gemiddeld per dag?

Kies je antwoord
Controleer je antwoord

Antwoord B: 17

Tel eerst op: 12 + 18 + 15 + 23 = 68. Er zijn vier dagen, dus je deelt door 4. Het gemiddelde is 17 dossiers per dag. Dat ligt tussen de laagste waarde 12 en de hoogste waarde 23.

Veelgestelde vragen: gemiddelde berekenen

Moet het gemiddelde een geheel getal zijn?

Nee. Bij 2 en 3 afspraken is het gemiddelde 2,5 afspraak. Dat beschrijft de verdeling over de waarnemingen, ook al bestaat een afzonderlijke afspraak uit een geheel.

Is het gemiddelde hetzelfde als de mediaan?

Nee. Het gemiddelde gebruikt de som van alle waarden. De mediaan is de middelste waarde na sorteren, of het gemiddelde van de twee middelste waarden.

Maak de volgende rekenstap

Wil je de basis verder oefenen? Ga dan naar numeriek redeneren oefenen of bekijk alle onderwerpen bij rekenen met uitleg. Begin daarna met 10 gratis assessmentvragen. Je hebt daarvoor geen account nodig.

Dit is een eigen rekenvoorbeeld. Lees bij NOA over het oefenen van capaciteitentests voor algemene testcontext.